BRAM FENlJN (1913), BRESKENS

               

Zoon van een garnalenvisser. Was eerst koeiewachter, maar stapte in februari '26 bij een oom aan boord als vissersknechtje. In het najaar van hetzelfde jaar kocht zijn vader een botter en nam Bram aan boord. In '61 kocht hij samen met z'n zoons een nieuw scheepje. Maar toen zij in 1967 van de garnalenvisserij wiIden overschakelen op zeevisserij,  stopte hij. Werkte daarna nog wel in de vismijn van Breskens.

 

 

Als ik uit school kwam moest ik eerst naalden opwinden bij mijn oom, die gebruikte je om netten te breien. Want je moet je wel realiseren, dat je geen netten kon kopen. En als je geen net had, kon je niet vissen. Daarom breiden de meeste vissers hun netten zelf, thuis of aan boord. Bij ons was het altijd zo: eerst naalden opwinden, dan een poosje buiten spelen en 's avonds netten breien.

 

In Breskens stond een toffee-fabriek en in veel vissersgezinnen wordt gewerkt voor die fabriek. Die toffees zaten in blikken. Daar moest je als kind om, met een kruiwagen of met een mand op je rug. De toffees moest je in een papiertje draaien. Dan zat je 's avonds rond de tafel, een beetje zingen ... vèsjes van de zondagschool. Dat was wel gezellig, maar o wee als het mooi weer was en in de vakantie ... verschrikkelijk. Dan zag je je vriendjes lekker buiten spelen en zelf zat je in die toffees te krauwen.

 

De tweede Zeeuws-Vlaamse coöperatie wordt in de jaren '30 in Breskens opgericht: Toen het zo heel slecht ging in de hornaotvisserij hebben ze hier de coöperatie BRESAENS opgezet. Ze noemde het ook wel 'de rode bond', want er zat geld in van het NVV. Als visser kon je aandelen nemen en als er winst werd gemaakt kreeg je bonusaandelen. Ik weet wel dat Piet Lagasse, een van de voormannen, gelijk drie aandelen van honderd gulden nam. Vader is er ook bijgegaan. Een paar jaar ging het goed, maar toen liep er een stel uit. Die gingen weer voor d'r eigen beginnen. Want vissers je hebt er altijd lastige mensen onder zitten.

 

In Breskens maakt BRAM FENIJN het mee, dat er gestaakt wordt: Het was omstreeks 1930. Ik viste nog maar pas. Er kwamen in die tijd koopmannen van België om de hornaot. Maar je wist de volgende zaterdag pas, wat je er voor kreeg. Dat kon mee- en dat kon tegenvallen. Meestal viel het tegen, want ze konden geven wat ze wilden. Toen is het een keer gebeurd, dat de vissers van Bresjes en Arnemuiden hebben gezegd: 'We willen méér!' We gingen niet meer vissen en ... we wonnen, we kregen meer! Eigenlijk was dat een wonder, want er waren onderkruipers, die wel gingen vissen, terwijl wij voor de wal bleven liggen. Als in de crisis van de jaren '30 de garnalenvisserij helemaal ten onder dreigt te gaan, grijpt de regering in. Er komen steunmaatregelen, maar ook een vangst regulering. De vissers mogen vanaf 1936 alleen nog leveren via het Aan- en Verkoop-kantoor voor garnalen. Wij mochten geen hornaot meer rechtstreeks aan de burgers verkopen. Wij waren verplicht om alles aan de vismijn te leveren. Maar dan zag je daar hoe een pel baas jouw hornaot kocht en ze, vlak voor de vismijn, weer aan burgers doorverkocht. Jouw hornaot, maar wèl een gulden duurder dan hij zelf had betaald. Zo zie je maar, wie er het meeste baat had bij die maatregel. De pel bazen waren en bleven de baas. In 1936 besluit de overheid in te grijpen in de crisissituatie. Er wordt een aan en verkoopkantoor voor garnalen opgericht, waaraan alle consumptiegarnalen geleverd moeten worden.

 

Gelukkig is in 1936 de gemeentelijke visafslag opgericht. Van toen af ging het weer 'n beetje beter. Er komen meer vangstbeperkingen en er is zelfs wat subsidie, waardoor het inderdaad vanaf dat jaar iets beter gaat met de garnalenvissers. Althans met hen die op dat moment nog niet zijn gestopt.

 

Ik zat op een dag  met z'n bord op z'n knieën in het vooronder te eten, andere vissers hebben die luxe nooit gekend. Bram over 'die van Arnemuiden':  Die stonden altijd aan dek. Zo gauw ze buiten de sluis waren: hup aan dek! Brood eten, koffie drinken, alles deden ze buiten. Pas toen er grote motorschepen kwamen is dat veranderd, maar vroeger zeiden die van Arnemuiden: 'Aan dek moet je wezen. Beneden valt er niks te verdienen'. Bij ons was het niet zo jachtig. Als we 's middags aten, dan ging het anker overboord. We stapten uit de oliejas en de laarzen en dan het vooronder in. 't Was gewoon onze salon. Och, je had geen worst in soorten hoor, maar wel brood met droge haring. Die deed je in een stuk krant en dat gooide je zo in 't avapeurtje. Dan wastie ineens geroosterd, heerlijk m'n jongen ... je zou de graten en al hebben opgegeten.

 

Droge haring en koffie van die Belgsche cichorei in van die grote kommen. Ja, het kon best lekker zijn in 't vooronder. Maar als 't nou slecht weer was, dan dreven de potten en pannen door 't kot. Dan kon je het eten wel vergeten. Als de pannen door 't kot drijven, dan zoeken de vissers een oppertje in de luwte van de dijk of in de dichtstbijzijnde haven.

 

Sommige orthodoxe protestantse vissers, bekend als 'zwarte kousen', hebben lang geweigerd om zich te verzekeren. Bij ongelukken of verlies van een schip weten ze zich 'verzekerd' door de opbrengst van collectes in hun kerk. Ze kwamen hier in Breskens een keer voor een visser uit Arnemuiden. Hij had z'n scheepje verspeeld en was niet verzekerd. Dat mocht niet van z'n geloof. Het bestuur van de vissersvereniging in Arnemuiden vroeg ons of we hier wilden rondgaan. Toen hebben we gezegd: 'We zijn niet zot, hoor! Als hij van z'n geloof niet mag verzekeren moet-ie dat zelf weten, maar daar gaan wij niet voor betalen' .

 

Voor BRAM FENIJN is het varen op zondag nooit zo'n probleem geweest: Op Breskens waren we niet zo kerks. We gingen zondagavond om 10 uur weg. Maar dan hoorde je wat van die erremujenaars! Want die deden dat niet vanwege hun geloof en ze vonden dat wij óók binnen moesten blijven. Ze konden het gewoon niet hebben, dat wij misschien meer zouden vangen."

 

Je at veel vis en mossels, want dat was goedkoop. Daar is hier op Bresjes een hele jeugd mee opgekweekt. Bram is garnalenvisser en daar kun je in die tijd ook amper het zout in de pap mee verdienen: België en Frankrijk beschermden hun eigen vissers, dus die namen bijna niks meer af. Toen konden wij voor de puffabriek gaan vissen. D'r stonden hier op Bresjes 2 van die vismeelfabrieken. Ze stonken verschrikkelijk maar  betalen ... , ho maar! Er was teveel aanvoer jongen, dus die konden zelf uitmaken wat ze je betaalden.

 

We hebben nog een tijdje op schardijn gevist. Want Duitsland wilde die wel afnemen. Ja, toen zat die Hitler daar al. Ik herinner me een keer dat was in '35  dat we een mooie, prachtige vracht hadden gevist. We hadden er speciaal een nieuw net voor aangespannen. Nou, die schardijn ging per wagon van Vlissingen naar Duitsland en we hebben er geen cent voor gekregen ... , niks, helemaal niks. Die Hitler liet maar invoeren, maar hij betaalde geen mens. Ja, toen was de leut er gauw af en moesten we van armoe weer terug op de hornaot voor de puffabriek.

 

Er zijn in de crisis vissers die naar de steun gaan en dan door de gemeente naar de werkverschaffing worden verwezen. In  staan 's Winters ploegjes vissers de veste uit te delven. Ze verdienen er 11 gulden mee, maar moeten na een week werken steeds een week thuisblijven. Dus moeten ze van vijf-en-een-halve gulden zien rond te komen, want zomaar 'steun' geven, dat deden ze niet

 

BRAM FENIJN wordt tewerk gesteld op de vuilnisbelt: Je deed natuurlijk niet veel; af en toe eens een kruiwagen verrijden en wat grond over die rommel gooien. Dat was alles. Maar er waren er ook van Bresjes, die elke dag op de fiets naar Aardenburg moesten. Dat was voor de Heidemij en daar moest je je altijd rot werken. Nee, dan zat ik eigenlijk nog goed op de vuilnisbelt. Ik moest de hele week achter de kruiwagen. Ik was zo arm, dat ik geen werkschoenen kon kopen, dus toen stond ik daar op een paar ouwe voetbal schoenen, die ik van een maat had gekregen. Overal waar zo'n dop onder die schoenen zat had ik een blein op m'n poten.  Aan het einde van de week had ik 6 gulden en 46 cent verdiend. We waren niet aan onze meters gekomen ... Maar ja, ik ben een visserman en ik heb nooit goed een spa kunnen vasthouden."

 

Eind 1944 is voor de vissers van de Westerschelde de oorlog afgelopen. Het slagveld heeft zich naar het noorden verplaatst, het zuiden van Nederland is bevrijd. Maar veilig is het nog niet op het water. In de zeearmen van het deltagebied drijven honderden mijnen. Sommige zijn verankerd, andere zinken of drijven los, maar allemaal vormen ze een bedreiging voor de scheepvaart. Vissen wordt een luguber laveren, tussen de mijnen, maar de vissers blijven varen. Je kon toch niet anders. Het was gevaarlijk, natuurlijk, maar dat besefte je niet. Het schip waar m'n broer op voer, kreeg

een mijn in het net en vloog de lucht in. Ik zag het gebeuren. Zo snel als we konden zijn we er naar toe gedraaid. We waren er het eerste bij. M'n broer dreef daar nog tussen de rommel. Hij had geen schrammetje, niks. De anderen zijn omgekomen en van het scheepje was niets meer over."

 

Eind 1944 is voor de vissers van de Westerschelde de oorlog afgelopen. Het slagveld heeft zich naar het noorden verplaatst, het zuiden van Nederland is bevrijd. Maar veilig is het nog niet op het water. In de zeearmen van het deltagebied drijven honderden mijnen. Sommige zijn verankerd, andere zinken of drijven los, maar allemaal vormen ze een bedreiging voor de scheepvaart. Vissen wordt een luguber laveren, tussen de mijnen, maar de vissers blijven varen. Je kon toch niet anders. Het was gevaarlijk, natuurlijk, maar dat besefte je niet. Het schip waar m'n broer op voer, kreeg een mijn in het net en vloog de lucht in. Ik zag het gebeuren. Zo snel als we konden zijn we er naar toe gedraaid. We waren er het eerste bij. M'n broer dreef daar nog tussen de rommel. Hij had geen schrammetje, niks. De anderen zijn omgekomen en van het scheepje was niets meer over."

 

In het voorjaar van 1945 vaart Bram met een groep Breskense vissers, onder toezicht van de Belgische marine, in konvooi naar Nieuwpoort. De Duitsers gooiden daar nog mijnen uit vliegtuigen en ze voeren er met éénmans onderzeeërs. Nee, 't was daar niet goed voor je zenuwen, want praktisch iedere dag dat we daar visten vloog er wel eentje de lucht in. De vissers van Nieuwpoort en Duinkerken durfden op den duur de haven niet meer uit." Hele mijnenvelden ziet Bram soms drijven. Vaak zitten die mijnen aan elkaar vast. Dan zag je ze over je visdraad komen, langs het schip, verdikke toch jongens, als ik daar nou nog aan denk. Soms zitten er wel eens 'van die platte diengers ' tussen de vis. Dat zijn de mijnen die de Duitsers op palen langs het strand hebben laten plaatsen, 't waren net ronde broodjes met een kop erop. Je haalde ze nogal eens op als je hornaot viste, kort onder de kant. Ik was een keer bij Cadzand aan het vissen en in de buurt lag er één van Philippine. We hoorden een plof en ineens zagen we niks meer, weg schip mee bemanning.

 

Dit vergeet ik nooit van m’n leven meer. De Amerikanen lieten de wrakken springen. We waren aan 't vissen en op een gegeven moment ontdekten we kisten op een zandplaat. We roeiden er heen. 'Californian apples', stond erop. Er zaten hele mooie in, met van die rooie koontjes, maar ze waren niet te eten want ze hadden in het zoute water gelegen. We bleven wat rond varen en er kwamen nog meer vissers uit Breskens. 'Get away!', riepen die Amerikanen en boem ... , daar ging weer een schip! En wat er dan uit kwam jongen, dat hou je niet voor mogelijk. Op een dag visten we 3000 blikjes corned beef en 200 blikken met chocolade. Op een andere dag 1650 blikken eierpoeier, zult en boter. Een macht aan spullen. Je kon het zo gek niet opnoemen. En bijna al wat dreef kon je eten."

BRAM FENIJN was zo'n enthousiast 'buiter' , dat hij er op een dag een schip mee verspeelt: We lagen bij een wrak en waren druk bezig sigaretten te laden. Nou hing er vanaf dat schip nog een giek buiten boord te zwaaien. En voor we er erg in hadden drukte die giek dwars door ons vaartuig. Dat scheepje van ons raakte lek. Een eindje er vandaan istie gezonken, met de sigaretten, thee en alles wat we verder uit dat schip gehaald hadden. Er lagen daar, meer Bressiaanders, dus konden we zo overstappen. Ik ben toen met m'n broers weer voor een ander gaan varen en . Wéér gaan buiten."

 

Als in de Westerschelde de wrakken uit het vaarwater zijn geruimd schakelen de vissers over op een ander systeem van buit vissen. Bij Knokke lag een gezonken Liberty. Bij hoog water kwam er een stukje van de brug droog, maar de lading die aan dek gestouwd was bleef onder water. We voeren met ons scheepje tot boven het wrak en daar hesen we met een katrol palen in de mast. Met die palen stampten we net zo lang op en neer tot de lading los kwam. En dan kwam er van alles boven drijven. 't Was net pakjesavond. Sindsdien heette die schuit 'de prikboot' . Hij is nou natuurlijk allang aan stukken geslagen, maar de Bressiaanders vissen nog altijd bij 'de prikboot' . Er is ook een wrak op een plek die ze 'de lakenboot' noemen. Je snapt wel wat daar in heeft gezeten."

 

Als het met het 'buitten' gedaan is gaat BRAM FENIJN weer vissen, een paar uur per dag maar, want langer heeft geen zin. De vissers staan op 'taks': We mochten bijvoorbeeld maar 150 kilo hornaot per dag vangen. Er zat redelijk wat hornaot, dus was je soms om 6 uur 's ochtends alweer thuis. Dan pelde je maar wat om nog aan een beetje loon te komen. De taks die je kreeg was afhankelijk van het aantal pk's dat je schip had. Zo zie je maar: als je veel geld had, kon je een schip met een zware motor kopen en mocht je meer hornaot vangen. Maar als je een klein scheepje had, mocht je weinig vangen, dus bleef je klein. De 'centrale' rekende het allemaal keurig uit. Dat werd bekend gemaakt op een bord op de kaai. Daar stond je als visser tegenaan te kijken. Te zeggen had je niks.

 

Breskens is vanaf 1946:  ... haring en nog eens haring Op een ochtend in het najaar van 1946 vertrekt de BR 20 van schipper Bram de Baare rond half acht uit de haven. Het is een garnalenbotter, maar om half vier die middag komt hij terug, tot de boorden toe geladen met 35 ton haring. De gouden vracht brengt op de vismijn 35 cent per kilo op. Het is het sein voor de enorme jacht op haring op de zuidelijke Noordzee. De haring zit aan de Vlaamse banken, zo'n drie uur varen van Breskens. Het gerucht gaat snel en de vissers van Texel, Urk en Katwijk wenden hun steven naar het zuiden. Het worden de vette jaren voor de haringvisserij in Zeeland. Die schepen van de noord lagen kop aan

 kont  in Breskens. Wij van de zuid zijn toen ook allemaal op haring gaan vissen. Ja, de Noordzee zat vol want d'r was vier jaar lang bijna niet gevist. Die haring brachten we naar de mijn in Vlissingen of Breskens. Het was haring en nog eens haring. Het duurde altijd maar kort, een week of zes op een jaar; de top zat in januari en februari. De rest van 't jaar zat je achter de hornaot of achter de platvis aan."

 

In de naoorlogse jaren worden nieuwe vistechnieken en moderner materiaal geïntroduceerd. In 1949 doet op de Vlaamse banken de spanvisserij z'n intrede. Op een dag slepen twee Urker kotters samen een net met een opening van wel 100 meter door het water. Het nieuwerwetse vistuig krijgt prompt een bijnaam: de atoomkorre.

 

BRAM FENIJN vist tot 1961 samen met zijn broers: Toen kreeg ik de kans om voor mezelf te beginnen en zo konden m'n zoons mee aan boord. We visten stik goed: ‘s Winters een harinkje en voor de rest hornaot. Een jaar later hadden we er al een scheepje bijbesteld, zo goed ging het. Op dat nieuwe scheepje is een van m'n zoons gaan vissen. We hebben toen machtig veel geld verdiend, want in '65 kon ik voor m'n andere zoon ook een schip laten bouwen. Het eerste scheepje kostte 85.000 gulden. Ons tweede kwam op 180.000 gulden ‘t verschil ging nog. Maar de volgende die we lieten bouwen was 1,6 miljoen ging het verder: 1,8 miljoen, 2,3 miljoen. De stappen werden alsmaar groter een paar jaar geleden kochten we er een van 5,5 miljoen. Ja, dan klapper je mee je oren, 'ee. Hoe groter de schepen, hoe meer apparatuur er ook aan boord komt, in de stuurhut bijvoorbeeld. Overheersen eerst de lierhendels en het roer de stuurhut, nu doet de elektronica z'n intrede: radar, moderne radio-ontvangers, radio-navigatie en de automatische piloot. BRAM FENlJN zelf heeft nooit intensief op beeldschermen hoeven te kijken, maar de komst van de radio heeft Bram nog wel meegemaakt:

 

Dat noemden we de spoetnik onder mekaar. Maar als je over de radio met je maats zat te praten, dan luisterde iedereen mee en zeker toen wij als een van de eersten een 'schrijver' aan boord kregen. Dat kon je zien hoor: als wij met dat ding een school vis ontdekten en door de rondte gingen, dan ging de rest ook.

 

Toen begonnen we ook over vakantie te praten. Op een vergadering van de visserijvereniging waren er die zeiden: 'We willen wel eens een paar dagen niet vissen om vakantie te houden.' Weet je wat onze voorzitter zei: 'Vakantie is voor de schoolmeesters en de kantoormannen! ' Maar op d'n duur nam ik toch eens een dagje vrij. Dan zat ik hier op 't strand van Breskens en was ik de wereld te rijk. Later zijn we er weer over begonnen in de vereniging en goed, we zouden beginnen om allemaal een week binnen te blijven. Ik ging 's maandags op de kaai kijken en ja hoor, er waren er toch een paar gaan vissen. Op woensdag waren er nog meer weg, maar wij zijn binnen gebleven. 't Beviel me goed en het andere jaar ging ik met m'n vrouw de Rijn op."

 

De  buiten wacht zei: "Dat ze toen van die dure schepen konden kopen, kwam natuurlijk ook omdat er zoveel zwart werd verdiend", "Want er is ontzettend veel zwart verdiend in de visserij, hoor! 't Ging ook zo gemakkelijk. Want dan ving je bijvoorbeeld duizend kilo kabeljauw dan bracht je er vijfhonderd aan de mijn dat was dus wat je officieel gevangen had. Maar dan kwam er 's avonds zo'n scharrelaar bij je langs en die kocht de rest. Die betaalde wel wat minder, maar je hoefde ook geen mijngeld te betalen. Ik herinner me dat er lui uit Eindhoven kwamen met een karretje achter hun auto en die kochten de vis op. Wat je daarmee verdiende, gaf je natuurlijk niet aan de fiscus op. Er werd ook niet naar gekeken door de ambtenaren. Ja, mischien wisten ze het wel, maar ach, ambtenaren zijn ook mensen. Later zijn die controleurs veel strenger geworden, maar in de jaren '60 ... Je was gèk als je 't niet deed. Mij hebben ze nooit gepakt, maar ik heb ook wel eens een partijtje achter de mast gedraaid. D'r is geen één visser die niet eens vis verkocht heeft, die hij niet opgaf. Maar sommigen hebben 't veel te erg gemaakt." Naar de buitenwacht toe was het dan "Vis zwart verkopen?" ???

 "Ik geloof niet dat er vissers  waren die dat niet deden. Ja, dan zeiden ze wel eens: 'Heb je dat gehoord van die of die ... ?' Dan zei ik altijd maar: 'Steek je hand in eigen boezem. Dan komt-ie eruit en dan is-ie zwart!